Bijdrage ProTiel 1 termijn RES 1.0 d.d. 16-06-2021

Voorzitter,

Op 12 december 2015 werd in Parijs het VN-klimaatverdrag ondertekend. In het Akkoord werd de bovengrens van 2 graden opwarming ten opzichte van het pre-industriële tijdperk voor het eerst in een juridisch instrument vastgelegd. Bovendien wordt het streven vastgelegd om de opwarming beperkt te houden tot 1,5 graad. Verder moet er nu snel een eind komen aan het gebruik van fossiele brandstoffen, aangezien dit een belangrijke oorzaak is van de overmatige CO2-uitstoot.

Voor Nederland betekent dit in 2030 een vermindering van 49% minder broeikasgassen dan we in 1990 deden.

In 1990 was de totale uitstoot aan broeikasgassen in Nederland ongeveer 228 miljoen ton CO2 (228 megaton, afgekort Mton, ofwel miljard kilogram; alle andere broeikasgassen zoals methaan en lachgas worden teruggerekend naar CO2-equivalenten).

Opgaves per sector

De opgaves per sector zijn als volgt verdeeld:

  • Elektriciteit 20,2 Mton
  • Industrie 14,3 Mton
  • Gebouwde omgeving 3,4 Mton
  • Mobiliteit 7,3 Mton
  • Landbouw en landgebruik 3,5 Mton

Resterende uitstoot

Als aan de opgaven wordt voldaan, blijft er per sector een rest-uitstoot over van respectievelijk:

  • Elektriciteit 12,4 Mton
  • Industrie 35,7 Mton
  • Gebouwde omgeving 15,3 Mton
  • Mobiliteit 25 Mton
  • Landbouw en landgebruik 28 Mton

Dan rest de vraag waar de opgave van de resterende uitstoot terecht gaat komen. Ik ben hier niet hoopvol gestemd, dat iedere sector zijn aandeel alsnog gaat halen. Ben bang dat uiteindelijk onze inwoners in Tiel, maar ook heel Nederland kind van de rekening gaan worden.

Kan het college enige opheldering geven hoe de toekomst er voor onze inwoners er (financieel) uit gaat zien?

Hoe zit per sector de uitstoot in Nederland in elkaar:

In 2019 werd van de totale hoeveelheid broeikasgassen:

  • 31 procent door de industrie uitgestoten;
  • 23 procent door de sector elektriciteit;
  • 19 procent door de sector mobiliteit (binnenlands verkeer en vervoer);
  • 14 procent door de landbouw;
  • 13 procent door de gebouwde omgeving (vanwege het stoken van aardgas voor ruimteverwarming).

Dit zijn de vijf sectoren die onderscheiden worden in het op 28 juni 2019 gepresenteerde Klimaatakkoord.

Nu ligt dus de RES 1.0 voor en die gaat over elektriciteitsopwekking via zon en wind. En daar zit wat ProTiel betreft de pijn. In Parijs wordt een veelomvattend probleem bij de hoorns gepakt. Komt uiteindelijk in deze raad terecht als een deelprobleem, want we worden teruggedrongen op een m2. Want waar mogen we het nu in de integraliteit juist niet over hebben:

  • Niet over de industrie, die voor 31% verantwoordelijk is voor de CO2 uitstoot. Er moet een rechtzaak aan te pas komen om Shell te bewegen om tussendoelen per 2030 te stellen.
  • Niet over waterstof,
  • Niet over Biomassa, waarvoor we bomen kappen en verbranden,
  • Niet over kernenergie, ondanks alle vervuilingsproblemen van dien
  • Niet over de agrarische sector en bijv. halvering veestapel, want verantwoordelijk voor 14% van de CO2 uitstoot. Ook het Gelders Energieakkoord (GEA) ontziet naar onze mening de agrarische sector.
  • Niet over invoer soja voor de veestapel, waarvoor elders in de wereld oerwouden worden gekapt,
  • Niet over de financierbaarheid, want hoe krijgen we belasting ontduikende multinationals zo ver, dat ze netjes belasting afdragen, i.p.v. de nationale ontduikingsgoot op de Zuid as van Amsterdam als startbaan voor kapitaalvlucht te gebruiken.
  • Niet over de exorbitante aanschafprijzen voor elektrisch rijden, dus alleen voor de meer vermogenden onder ons bereikbaar. En de minder vermogenden dan? Mogen niet meer mobiel zijn?
  • Niet over leverbetrouwbaarheid in de toekomst. Vraag: Wat als de levensduur van windmolens en zonnepanelen op is, kan het dan milieuvriendelijk gerecycled worden? Hoe voorkomen dat we over 10 jaar alleen nog maar multinationale monopolisten als aanbieders hebben?
  • Niet over problemen bij alternatieve warmteopwekking, zie hiervoor de problemen in wijk 7 van Passewaaij.

Anderen kunnen wellicht deze lijst aanvullen.

Nu naar het RES bod 1.0. De nationale opgave is een reductie van CO2 uitstoot. In de RES-zon en wind is de landelijke opgave om per 2030 35 TWh op te wekken. Als je alle conceptbiedingen van de 30 RESregio’s bij elkaar optelt, dan kom je uit op een memorabele 54,22 TWh, ofwel een bieding die 19,22 TWH hoger ligt dan hetgeen gevraagd wordt in 2030. Doe je hetzelfde voor de definitieve biedingen in de RES 1.0 van de 30 regio’s dan valt op dat het definitieve bod 53,39 TWh bedraagt, dus 18,39 TWh hoger dan het gevraagde, maar wel 0,83 TWh lager dan het concept bod. 7 regio’s hebben hun bod verlaagd, 15 regio’s hebben hun bod gelijk aan het concept bod gehouden en 8 regio’s hebben hun bod verhoogd. En daaronder 2 Gelderse RES regio’s, te weten Rivierenland en Noord-Veluwe. Daarbij is Rivierenland zowel absoluut als procentueel met kop en schouders, wat je zou kunnen noemen, kampioen Verplassen met een verdubbeling van het bod. In de wetenschap, dat in de toekomst het bod landelijk omhoog zal gaan is het de vraag of het verstandig is om als regio nu al je kaarten weg te gooien en voor een niet gevraagd hoog bod te gaan. Je kunt dus niet meer terug. ProTiel vindt dat dus zeer onverstandig en zal daarom VVD en PvdA een amendement indienen om het RES 1.0 bod te houden 0,63 TWh.

Als laatste voorzitter nog iets over draagvlak. Het CBS heeft e.e.a. uitgezocht. Daaruit de volgende cijfers:

  • 53% van de Nederlandse bevolking is positief over stoppen met gebruik aardgas;
  • 20% is pertinent tegenstander;
  • Zo is 83 procent voor meer gebruik van zonne-energie en
  • 72 procent voor meer windenergie. De meningen over het gebruik van kernenergie en biomassa zijn verdeeld. 
  • 53 procent is over het algemeen (heel) positief over de door de overheid voorgenomen overstap van aardgas naar duurzame energie;
  • 19 procent is hierover (heel) negatief.
  • Vooral hoogopgeleiden, vrouwen, jongeren, personen in huishoudens met een hoog welvaartsniveau, en stedelingen staan relatief vaak (heel) positief tegenover deze transitie.
  • EN NU KOMT HET: De steun voor windmolens in de eigen woonomgeving is een stuk kleiner: 21 procent is voorstander en 31 procent tegenstander.
  • De meesten (43 procent) geven aan dat het ervan afhangt of ze voor of tegen zijn, waarbij de locatie van de windmolens het vaakst bepalend is. Ze mogen niet te dicht bij de woning staan. Per saldo zien de meeste Nederlanders liever geen windmolens in hun directe woonomgeving.
  • Dus het zijn NIMBY-projecten

Tot zover in 1e termijn